De
kaars en ik:
Na
het eten als alle plichtplegingen zijn gedaan is het
tijd voor bezinning en rust. Tijd om te mediteren
en alle hectiek van de dag van me af te zetten. Tijd
voor kaarsen, wierook, stilte, donker om me heen,
gordijnen dicht, kleermakerszit en tijd voor mezelf.
Ik
steek de kaars aan en ga op de grond zitten, met de
kaars voor me op tafel.
Dát is lang geleden! Schiet het door me heen.
Voor lange tijd zat ik iedere avond zo. Elke 28 dagen
een ander element voor me. Dag in, dag uit. Week in,
week uit. Maand in, maand uit. jaar in, jaar uit.
Totdat ik mijn derde graad had behaald en had gekregen.
Toen was er geen noodzaak meer tot mediteren. Alle
elementmeditaties en de God- en Godinmeditaties had
ik doorlopen. Alle verschillende stadia.
Ik raakte zwanger, verhuisde en zelfs de hele hekserij
verplaatste zich een trede terug op de ladder. Zorg
voor de kinderen kwam even op de eerste plaats.
Het gevoel was er, is een deel van mezelf, en zou
nooit verdwijnen. De uiterlijkheden en uitingen van
hekserij, echter, díe verdwenen naar de achtergrond,
tot het moment dat ik ze zou gaan missen en ze er
weer zouden zijn. Ik ze weer zou afstoffen en oppakken.
Die
tijd was nu. Nu ik weer met mijn billen op de aarde
zat en mijn blik versmolt met de vlam voor mij. "Laat
ik eerst de meditaties maar weer oppakken," had
ik geconcludeerd, "Dan komt de rest vanzelf weer."